
Vanmorgen heeft mama er echt helemaal niets over gezegd. Zij is heel grappig en zit altijd vol leuke verrassingen. Om half één staat ze bij het schoolhek op ons te wachten. De bushalte is voor ons huis, maar daar vertrekken we niet. ‘We nemen de volgende halte’, zegt mama. Onze vriendinnen mogen niet mee: we gaan met de bus naar Utrecht. Mama heeft haar mooie jas aan en haar lichte nieuwe hoed op. Mijn zusje en ik lopen ieder aan een hand. Onderweg horen we dat we naar meneer Streumer gaan, onze kapper in Utrecht. Hij gaat onze vlechten even bekijken. Dat vinden mijn zusje en ik spannend en ook eng. Wij zijn een beetje bang voor hem, want hij lacht heel raar. Zijn kapsalon is aan de Oude Gracht naast de bioscoop. Boven woont tante Netty, de vriendin van mama. Zij is kapster. Het ruikt in de kapsalon heel erg naar parfum, zeep en naar verbrande haren. Zo ruikt meneer Streumer ook. Hij gebruikt ijzeren tangen voor watergolf bij oude vrouwen en hele vieze shampoo voor permanent-krullen. Mijn zusje en ik hebben zelf krullen, van papa en mama gekregen. Die zijn verstopt in dikke vlechten met grote strikken. Wij hoeven gelukkig nooit watergolf of permanent.
Mama zet mij als eerste op de hoge kappersstoel en haalt mijn vlechten voorzichtig uit elkaar. In de spiegel zie ik meneer Streumer, hij lacht een beetje gemeen terwijl hij mijn lange haren zachtjes streelt. Ik vind hem een hele enge man! Mama staat erbij en kijkt er naar en houdt mijn zusje vast. Dan pakt hij zijn schaar en knipt steeds -heel voorzichtig- een handje vol van mijn haar af en legt het in een langwerpig doosje met wit vloeipapier. Ik roep nog: ‘Nee mama, ik wil het niet!’ Maar mama vertelt ons dat het haar te veel wordt, iedere morgen maar weer kammen en vlechten maken. Korte kopjes zijn in de mode!
In heel weinig tijd word ik anders. Hetzelfde overkomt mijn zusje: ook een kort kopje. Nu zijn er twee doosjes met onze mooie lange haren. Daarvoor heeft hij heel veel guldens in mama’s hand gedrukt. Wij krijgen van hem ieder een gulden voor een ijsje bij Venezia aan de Voorstraat. Van tante Netty krijgen we snoep en complimenten: ‘Oh, mooie meisjes, nu zijn jullie groot!’
Wat zal papa ervan zeggen als hij straks thuiskomt van zijn werk? Misschien krijgt mama wel ruzie.
We eten een heel lekker ijsje met slagroom en krijgen ook nog een nieuwe jurk. In de bus naar huis is het heel stil. Mama is erg moe en wij ook. Misschien moet ik straks wel huilen. Ik voel aan mijn korte haar en weet dat er wel weer vlechten gaan groeien. Maar dat duurt heel lang. Dat is pas als ik ouder ben: misschien wel twaalf jaar.
Papa kijkt verbaasd en trots naar ons. Hij vraagt mama: ‘Greetje, waar zijn de vlechten gebleven?’ ‘In twee doosjes bij Joop Streumer…voor theaterpruiken’. Ik hoor dat papa zegt: ‘Geen sprake van. We halen het haar terug en die jurken hebben ze gewoon van ons gekregen.’
De volgende dag gaat mama weer naar de stad om de doosjes op te halen. Thuis verdwijnen ze in de kast, hoog achter het mooie serviesgoed. Daar blijven ze heel lang liggen tot de kamer en suite wordt doorgebroken en de kasten verdwijnen.
Wie weet toch waar die twee doosjes zijn gebleven?
© els van dinteren


