Close

Onverwachte zaken

foto els van dinteren met vlechten
els van dinteren

Vanmorgen heeft mama er echt helemaal niets over gezegd. Zij is heel grappig en zit altijd vol leuke verrassingen. Om half één staat ze bij het schoolhek op ons te wachten. De bushalte is voor ons huis, maar daar vertrekken we niet. ‘We nemen de volgende halte’, zegt mama. Onze vriendinnen mogen niet mee: we gaan met de bus naar Utrecht. Mama heeft haar mooie jas aan en haar lichte nieuwe hoed op. Mijn zusje en ik lopen ieder aan een hand. Onderweg horen we dat we naar meneer Streumer gaan, onze kapper in Utrecht. Hij gaat onze vlechten even bekijken. Dat vinden mijn zusje en ik spannend en ook eng. Wij zijn een beetje bang voor hem, want hij lacht heel raar. Zijn kapsalon is aan de Oude Gracht naast de bioscoop. Boven woont tante Netty, de vriendin van mama. Zij is kapster. Het ruikt in de kapsalon heel erg naar parfum, zeep en naar verbrande haren. Zo ruikt meneer Streumer ook. Hij gebruikt ijzeren tangen voor watergolf bij oude vrouwen en hele vieze shampoo voor permanent-krullen. Mijn zusje en ik hebben zelf krullen, van papa en mama gekregen. Die zijn verstopt in dikke vlechten met grote strikken. Wij hoeven gelukkig nooit watergolf of permanent.

Mama zet mij als eerste op de hoge kappersstoel en haalt mijn vlechten voorzichtig uit elkaar. In de spiegel zie ik meneer Streumer, hij lacht een beetje gemeen terwijl hij mijn lange haren zachtjes streelt. Ik vind hem een hele enge man! Mama staat erbij en kijkt er naar en houdt mijn zusje vast. Dan pakt hij zijn schaar en knipt steeds -heel voorzichtig- een handje vol van mijn haar af en legt het in een langwerpig doosje met wit vloeipapier. Ik roep nog: ‘Nee mama, ik wil het niet!’ Maar mama vertelt ons dat het haar te veel wordt, iedere morgen maar weer kammen en vlechten maken. Korte kopjes zijn in de mode!

In heel weinig tijd word ik anders. Hetzelfde overkomt mijn zusje: ook een kort kopje. Nu zijn er twee doosjes met onze mooie lange haren. Daarvoor heeft hij heel veel guldens in mama’s hand gedrukt. Wij krijgen van hem ieder een gulden voor een ijsje bij Venezia aan de Voorstraat. Van tante Netty krijgen we snoep en complimenten: ‘Oh, mooie meisjes, nu zijn jullie groot!’

Wat zal papa ervan zeggen als hij straks thuiskomt van zijn werk? Misschien krijgt mama wel ruzie.

We eten een heel lekker ijsje met slagroom en krijgen ook nog een nieuwe jurk. In de bus naar huis is het heel stil. Mama is erg moe en wij ook. Misschien moet ik straks wel huilen. Ik voel aan mijn korte haar en weet dat er wel weer vlechten gaan groeien. Maar dat duurt heel lang. Dat is pas als ik ouder ben: misschien wel twaalf jaar.

Papa kijkt verbaasd en trots naar ons. Hij vraagt mama: ‘Greetje, waar zijn de vlechten gebleven?’ ‘In twee doosjes bij Joop Streumer…voor theaterpruiken’. Ik hoor dat papa zegt: ‘Geen sprake van. We halen het haar terug en die jurken hebben ze gewoon van ons gekregen.’

De volgende dag gaat mama weer naar de stad om de doosjes op te halen. Thuis verdwijnen ze in de kast, hoog achter het mooie serviesgoed. Daar blijven ze heel lang liggen tot de kamer en suite wordt doorgebroken en de kasten verdwijnen.

Wie weet toch waar die twee doosjes zijn gebleven?

© els van dinteren

Reisgenoot (Awater)

Uit de bundel stak een roze papiertje dat me vreemd voorkwam. Ik was blijven steken in Awater en had het oude treinkaartje als bladwijzer gebruikt; datum 23 september 1975, de Oriënt Express.

Souvenir van een trip toen reizen spannender was en de wereld voor ons open lag. Plotseling kwam de geur van de verre reis terug, na al die jaren. Ik herlas Awater en bewaarde het kaartje achter in de bundel.
‘Ik zoek een reisgenoot’ (met ‘.. .‘) was de tekst voor de advertentie, in de hoop dat er iemand was die de rest van het gedicht -of een deel daarvan- zou aanvullen. (…) ‘Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.’

Het duurde even voor er een reactie binnenkwam. Nee, hij was niet bekend met Nijhoff, maar had wel de stoute schoenen aangetrokken om te reageren.

Hij was een reiziger. ‘Ja ja, ’t schijnt waar te zijn, hij wil op reis.’ Rond lunchtijd was het treffen in het Stedelijk, zonder aanwijzing vooraf. Ik zocht een tafeltje met uitzicht op de ingang. Het was druk; gasten druppelden binnen, de meesten samen, weinig alleengangers. Daar kwam -later dan verwacht- een mooie maar verhitte hardloper aan: bezweet, nerveus rondkijkend.

Hij droeg een hardloperspak en had diverse soorten apparatuur om zijn nek en pols en ook nog iets vastgeclipt aan zijn jack.  Een zwarte band omklemde zijn schedel. Hoe herkende je hem? Ik stak mijn hand op en noemde vragend zijn naam. Ja, hij was de man die gereageerd had. Met zijn linkerhand veegde hij het zweet van zijn gezicht en zijn rechter stak hij uit in mijn richting.

Ik legde mijn krant weg en verschoof mijn koffiekopje. Of ik niet met de koffie had kunnen wachten tot hij er was, vroeg hij. Hij bestelde water, om het vocht dat onderweg verloren was gegaan aan te vullen. Hij was een geoefend marathonloper en was al meer dan een uur onderweg om naar mij toe te rennen; te reizen als het ware.

Met een zachte plof ging hij zitten en maakte mij deelgenoot van zijn meter-uitslagen. De hartslag was redelijk stabiel, zeker gezien het aantal passen dat hij had gelopen; de looptijd vermeldde hij tot op de laatste miniseconde, maar ook zijn lichaamstemperatuur en andere interessante informatie gingen over de tafel. Heel fit allemaal.

Ik dacht even aan Nijhoff: ja, soms loopt het anders dan je zou wensen.

Hij stelde voor de Zero-groep te bezoeken. Armando en Jan Schoonhoven waren mijn geliefde kunstenaars. In de grote zaal nam hij het woord en legde de bedoeling van Zero uit. Overigens niet onverdienstelijk. Daarna meldde hij als binnenhuisarchitect vele kantoren en particuliere huizen te hebben ‘verbouwd’, toen hij nog niet failliet was verklaard. Er volgde nog een uitgebreid college over de nieuwbouw van het museum. Het werd de dag van het hoorcollege. Hij sleepte me daarna nog in hoog tempo door de stad en wilde me beslist het meest bekendste café van Amsterdam laten zien: ‘We gaan naar Hoppe’, zei ik langs neus en lippen. ‘Oh, ken je dat?’
Op het piepkleine terras zat ik naast een bekende schrijver die net aan zijn koffie/cognac nipte. We spraken een paar woorden. Mijn reisgenoot stootte mij rechts aan:

‘Weet je wel wie dat is?’ ‘Ja, meneer C. Appelboom, gevierd schrijver in binnen- en buitenland.’ Ik voelde intussen de verse blaren onder mijn voeten branden.

De vraag wanneer we op reis zouden gaan bleef gek genoeg onbeantwoord in de lucht hangen. Ik wilde eerst rustig naar mijn provinciehoofdstad terugreizen, daar alle indrukken van de dag verwerken en in de tekst van Awater thuiskomen voor ik weer de Intercity zou nemen om de grote onbekende wereld in te gaan.

© els van dinteren

Kiezels of tegels

Wekenlang was gewerkt aan de voorbereiding, met interviews, schrijven van tussenrapportages en het samenvoegen en redigeren van teksten. Overleg met collega’s in andere provincies behoorde tot de laatste werkzaamheden. De grote welzijnsconferentie vond plaats in Den Haag. Hare majesteit opende de conferentie en om niet te laat aan te komen waren we zeer vroeg met de trein naar het westen vertrokken, in ons goeie goed. We waren gedrieën en allemaal lid van een gematigde linkse partij: de een weliswaar iets linkser dan de ander. Na de opening door de hoogheid werd de hoofdinleiding gehouden door een bekende Nederlandse socioloog, ook van linkse huize. We waren gespannen en kenden zijn vileine uitgesproken teksten uit Vrij Nederland en de Haagse Post. Hij nam plaats achter het spreekgestoelte, boog naar haar en opende zijn mapje. Daar bleek niet zijn inleiding in te zitten, maar de vergaderstukken van de vorige dag. Een hele pijnlijke maar ook hilarische situatie. Verontschuldigingen gingen richting de koningin, het programma werd omgegooid, en zij hield het vrij snel voor gezien. Inmiddels was de tekst via de fax (ja, het is al even geleden!) binnengekomen en het programma kreeg zijn vervolg. Na hem kwamen nog drie sprekers. Het was een pijnlijke ochtend.

Na de uitgebreide lunch, waarin men elkaar kon ontmoeten, -daar zag ik voor het eerst van mijn leven een deftige heer een banaan met mes en vork eten- werd het programma voortgezet in verschillende werkgroepen. De welzijnsproblematiek in Nederland werd vergeleken met de situatie in omringende landen en men kon natuurlijk voorstellen indienen ter verbetering van ons huidige systeem. Onze voorstellen werden verspreid, zoals ook die van collega-instellingen. Aan het eind van de middag, we waren moe, besloten we gedrieën een hapje te eten en daarna weer naar het Noorden te vertrekken.

Lopend naar de trein vonden we op de Lange Poten een bekend Indisch restaurant. Voor het raam was een tafeltje voor vier personen. We namen plaats en lieten ons adviseren welke rijsttafel geschikt zou zijn. De vriendelijke Indische ober gaf wijze raad en binnen niet al te lange tijd kwamen de diverse schaaltje met geurende gerechten. Onze directeur was bekend met Indisch eten; zijn ouders hadden als jongeren in Indonesië gewoond. Hij legde ons omstandig uit hoe we moesten combineren. Er verschenen meerdere gasten en het werd een aangename rustige sfeer.

Na enige tijd, we hadden al redelijk van alle gerechten geproefd, kwam er een man binnen en schoof voorzichtig aan, op de vierde stoel bij ons tafeltje. Hij vroeg na enig kijken: “Hoe was de conferentie Kiezels of Tegels?”  Ik was verbaasd, maar liet niets merken. Onze directeur had zijn badge nog op zijn revers. Collega H. vertelde dat het een goede bijeenkomst was en vroeg of hij ook vroegtijdig de zaal had verlaten. “Nee nee, ik had vandaag geen tijd, maar nu wel even voor een hapje.” De ober kwam langs om te vragen of alles naar wens was: “Het is heerlijk en voldoende”, sprak de man optimistisch. Hij had zich voorzien van een plat schaaltje en at zonder problemen met een kleine opscheplepel en liet het zich smaken. Ik vroeg hem wat hij die dag gedaan had. “Ik heb me beziggehouden met daklozen in de binnenstad, er komen er steeds meer: het is een echt probleem.” Hij informeerde of wij op de hoogte waren van deze stadse situatie. Er ontstond een mooi gesprek en de suggesties kruisten de tafel over de bijna lege schaaltjes. Bij het luisteren naar de korte inleiding van onze directeur –hij was een breedsprakige man- nam hij nog een handje noten als dessert, gaf ons een smoezelige hand, dankte voor het interessante gesprek en wenste ons een hele goede reis. Hij vertrok net zo voorzichtig als hij gekomen was.

In de trein vroeg de directeur aan H.: “Ken je deze man van vroeger?”  “Nee, ik kende hem niet, maar hij zag er wat hongerig uit. Participerend onderzoek in de grote stad; het is weer eens iets anders. Geen kiezels, geen tegels, maar meer Gast aan Tafel.”

© els van dinteren

Studie van een leegte

De leegte is een gat vol licht
is herinnering aan het huis
vóór het brandde, vóór de sloop.

De vreemdeling ziet niets:
bijv. een leeg parkeerterrein.

De straatbewoner ziet de leegte
boordevol licht dat niet alle mystiek
en droefenis verijdelt maar
een beeld oproept: een huis.

© Remco Ekkers

Schaamte

Omdat mijn Lidl-super in de binnenstad is gesloten ga ik af en toe naar Marsdijk om mijn groetenman te zien. Hij zorgt voor een prachtige voorraad groente en fruit en staat garant voor de handige groene dozen voor mijn boodschappen.

Voor kassa 2 stond een jonge man van rond de 35 met een enorme berg boodschappen. Een overvolle lijn. Ik sloot me snel aan bij de volgende kassa, waar het minder druk leek. De man merkte dat ik verbaasd was van zijn aankoop: we keken elkaar even aan. ‘Daar gaat je vakantiegeld’, sprak ik terloops, waarop hij vrolijk antwoordde dat hij vijf kinderen had en dit de wekelijkse aankopen waren.

Een oude dame achter mij in de rij met twee pakken melk liet ik voorgaan, omdat mijn karretje ook redelijk vol was. Er trad stagnatie op bij de kassa, dus we spraken met elkaar, vooral over de oplopende prijzen. Het duurde even voordat ik doorhad wat zich aan de kassa voordeed. Intussen was de vracht aan boodschappen op de band bij kassa 2 verwerkt en keurig in een kar geplaatst. Zware dingen onderop en de lading brood en fruit bovenop. De man voegde zich bij caissière van kassa 3, waar ik in de rij stond. Nieuwsgierig als altijd keek ik wat er aan de hand was.

De wachttijd werd veroorzaakt door een klant met een rekenprobleem. De aangeslagen boodschappen werden terug uit de kar gehaald, er lag wat kleingeld naast de kassa, samen met een verkreukeld briefje van vijf euro. Het kostte tijd en vooral ongemak.

Om de stagnatie op te heffen wilde ik helpen het probleem op te lossen. Het is soms een zaak van enkele euro’s. Op een kar boodschappen maakt dat weinig uit. Mijn oude buurvrouw in de rij werd boos. ‘Doe dat niet, als je haar nu helpt staat ze hier morgen weer!’

Ik was perplex dat er zulk gif uit zo’n aardige oude dame konden komen. ‘Ze heeft nu al geen geld genoeg, dus komt ze vast morgen niet terug’, kon ik nog net uitbrengen. Ik liep naar voren maar was al te laat. De jonge man met de overvolle boodschappenkar was haar hulp in bange dagen. Hij paste het ontbrekende bedrag van 90 eurocenten aan en daarmee was het hele probleem opgelost.

De vrouw aan de kassa was een zwarte vrouw. Zij keek ons in schaamte aan, gevolgd door haar welgemeende excuus voor het ontstane ongemak.

Het voorval bleef me het hele weekend bij.

© els van dinteren

‘gevangene tussen hemel en aarde’

in de kerker van het schrijven

Robert Walser
Robert Walser

-als vlucht het lege witte vel-

beloopt hij randen van de schepping

met in zijn zoektocht hartenpijn

 

dromend door bos en open veld

zingt hij zijn dagelijks lied

verlangt naar honing, melk en brood

en is door eenzaamheid gekweld

 

de omweg vult zijn teer gemoed

met zilversluier, zielennevel

weet hij het dorp te vinden

met pelerine en stok en hoed

 

groet ingetogen boer en bakkersvrouw

soldaat – op het balkon de dame –

knikt spottend naar de dorpse macht

veracht rijkdom, roem, gezag

zijn hoogste doel, de kale berg

tot het laatste uur bewaard

schrijft in sneeuw zijn zwaarste stap

dan volgt zijn hemelvaart.

 

© els van dinteren – voor Robert Walser

Á la recherche…

er zijn geen pasteien noch

blini’s, dubbel gebakken met

te duur aangeschafte kaviaar

 

gefileerde tong of erger; tarbot

in saus van witte wijn, mierikswortel

en geslagen zure room

 

oh nee, denk niet aan chablis, port of

de zelf gebrouwen granach, aangelengd

met een flinke scheut eau de vie

 

op tafel -naast de theepot- wacht  slechts

geduldig het schaaltje met zelfgebakken

Madeleines

 

© els van dinteren

Alle Menschen werden Brüder

Bij het lezen van ‘De klerk Bartleby: een verhaal van Herman Melville over Wall Street kwam ik niet verder dan de eerste zeventien pagina’s. Hij beschrijft uitvoerig en minutieus zijn kantoor en de mannen die daar werken. Zo uitvoerig dat ik plotseling dacht aan een situatie waarin ik jaren geleden terecht kwam. Nog piepjong werkte in een kantoorachtige setting op een groot computercentrum in het midden van het land.

Zij was een vrouw van rond de veertig jaar. Tenminste, dat werd verondersteld. In de ochtend kwam ze aangefietst, maar dat zagen wij nooit. Altijd was zij als eerste op de kamer. Daar hing haar beige stofjas, voorzien van extra losse mouwen met boven en onder elastieken, zodat alles op zijn plek bleef zitten. Haar gezicht vertoonde frisse trekken door couperose, wat haar een gezond uiterlijk verschafte. Uit de extra mouwen staken twee verzorgde handen, zonder sieraden. Enkele van haar vingers waren gebruind door sigarettenrook. Haar blik was van een vrome maagd en haar werklust was zonder weerga. Een ijverige vrouw in cognito. Ooit was er een receptie en trok zij haar grauwe imago uit: daaronder droeg zij haar mooie kleding inclusief een pront décolleté. Zonde dat wij als collega’s daar niet van mochten genieten. Af en toe sloeg ik haar gade, ook die namiddag dat ze werd opgehaald door een man met fiets. Ik dacht dat het haar verkering was. Hij belde en keek naar boven -we hadden uitzicht op de straat- maar ze reageerde niet. Ik vertelde dat er een man beneden stond, die waarschijnlijk voor haar kwam. Ze stond op, keek verachtelijk naar hem, zwaaide hem weg en vertelde dat het haar broer was. Ze kon zelf wel naar huis fietsen. Om vijf uur verliet iedereen het pand.  Zij ging als gewoonlijk als laatste weg, nadat zij zich van haar werkkleding had ontdaan. Ze woonde op fietsafstand samen met haar moeder en oudere broer, die als beschermengel over haar waakte.

Onze chef -meneer S.- was een kleine tengere, zeer aantrekkelijke man van een jaar of vijftig, met donkerbruine priemoogjes en een snelle wendbare tred: van het type streng maar rechtvaardig en genoot groot respect. Hij was de intelligente uitvinder van een nieuwe computertaal en kon via het door hem uitgevonden systeem de computer laten zingen: Alle Menschen werden Brüder. Er werden ook grappen over hem gemaakt; sommigen waren oprecht bang voor hem. Ik niet.

In de vakantieperiode bleef hij op zijn werk, terwijl hij toch ook een vrouw en kinderen had. Op zijn deur hing een bordje: NIET STOREN, IK HEB VAKANTIE. Niemand durfde hem daar te storen of aan te spreken, ook niet als hij op de gang zijn koffie inschonk.

Zoals gewoonlijk verliet ik die dag het pand aan de achterkant van het gebouw, dicht bij het busstation. Het was eind december en er waren inkopen gedaan voor de feestdagen. Ik was een deel van mijn boodschappen vergeten en moest snel terug naar mijn werkplek om nog een tas op te halen. De lichten waren zo goed als uit, maar ik vond mijn weg door het labyrint. Ik zag dat zij nog niet vertrokken was.
Tot mijn verbazing zat meneer S. op mijn stoel en zij zat op zijn schoot: niet in de amazonezit. Zij was ontdaan van haar werkkleding, inclusief de mouwen. Ze zat in haar zondagse goed. Samen rookten ze gezellig een sigaret in de decemberschemer.

Of er niets aan de hand was pakte ik mijn vergeten boodschappentas en wenste beiden veel plezier en prettige feestdagen en verdween in lichte shock weer naar buiten.

Vanaf die dag was haar stofjas verdwenen en ook de losse mouwen hebben we nooit meer gezien. Het was geheim wat daar gebeurde en pas nu na al die jaren schrijf ik over haar en hem. Misschien leeft ze niet meer of is ze zeer oud met een dito décolleté, en is hij inmiddels een keurige overgrootvader. Hij heeft haar minstens uit de eerste schil lelijke kleren bevrijd: dat mag hij –naast zijn ‘Alle Menschen werden Brüder’- op zijn conto schrijven.

 

© els van dinteren

Agnus

Beeld: Kitty Boon
Beeld: Kitty Boon

 

 

 

 

 

 

Op verzoek zorg ik voor lamsschenkeltjes: klein, fijn en lekker. De Marokkaanse slager groet me vriendelijk en vertelt over zijn verse waar: “Mevrouw, vers lamsgehakt, ik maak zelf, niet vet.” Er wordt besteld en ik kijk naar zijn assortiment en besluit zes mooie schenkeltjes te nemen. Hij zoekt de mooiste uit en laat me het bot zien en roep dat het heerlijk vlees is. “Hebt u ook lamstongetjes”, vraag ik wat beschaamd. Hij kijkt me aan en roept: “Ja, lekker!” Hij duikt zijn vriezer in en komt terug met een pak van meer dan één kilo. (Hoeveel tongetjes gaan er in één kilo?) Ik vraag of hij ook kleine pakjes heeft; die heeft hij niet. “Nee, ik maak twee pakjes; één voor u en één voor mij!  Vrouw is vanavond heel blij!  Dit eten is voor feestdagen”, vertelt hij mij aandachtig in zijn taal, bijna zonder lidwoorden. Het grote pak wordt met de cirkelzaak in tweeën gezaagd. Alle tongetjes doormidden. Au. Ik betaal contant. Zo heeft hij dat graag. Er is een pin, maar die wil hij niet gebruiken, waarom weet ik niet.

Voor de verjaardag van één van de vrienden kook ik in het bos. Ik heb de auto ingepakt voor het weekend en vertrek naar mijn huisje. Een wegomlegging leidt me langs prachtige weilanden en bosranden. Een plek waar ik nooit kom, terwijl het zo dichtbij is. De krentenbomen staan bijna in bloei en in de bermen verschijnen de eerste bosanemonen. Het is vroeg in de morgen en de zon doet zijn best. Vlak bij Norg kom ik in een kleine verkeersopstopping, die dwingt me de motor even uit te zetten. Ik wacht geduldig, luister naar de Mattheus op de radio en ben veroordeeld even naar rechts te kijken. Daar liggen twaalf kleine lammetjes in de wei. De moeders kijken gedwee naar hun kroost. Vlak bij de weg, langs het hek liggen drie lammetjes in elkaars pootjes, de kopjes tegen elkaar en gericht naar de zon. Ze slapen nog, zo te zien. Wat ’n lieflijk pastoraal beeld.
Ik denk aan het pakket vers vlees achter in de auto en besluit ter plekke dat dit de laatste keer is dat ik lamsvlees eet. En nu volhouden! ….En het vlees… en de tongetjes….en de vriendelijke slager?

 

© els van dinteren

 

 

Bijzonder bezoek

Het is nog geen Pasen en toch was ik getuige van een onverwachte opstanding. De opstandeling liep mijn bospad op aan de arm van vriendin R. Hij hing weliswaar wat aan haar en zijn tred was niet de allersterkste, maar hij liep! Iets wat hij en wij niet meer voor mogelijk hadden gehouden. Hij lachte licht cynisch in mijn richting, zijn voeten werden aandachtig neergezet en hij bleef overeind.

Zonder aarzeling nam hij zelfstandig het opstapje voor de deur en binnen ontdeed hij zich voorzichtig van zijn jack. ‘Lekker warm hier, houtkacheltje, heerlijk’.

Ik stond mijn stoel met warm schapenvachtje aan hem af; lekker zacht voor zijn bijna ontbrekende billen. Zijn ouderwetse bakkersbroek met blauwe ruit slingerde om zijn magere benen. Ik keek hem even aan en we lachten alle drie om dit bijzondere tafereel.  Zijn vriendin wilde met hem wandelen, maar hij stelde voor zelf met zijn auto naar het boshuis rijden. En dat lukte!

De verhalen bij de kachel waren vooral hilarisch: niet die over zijn slopende ziekte, maar de anekdotes over het RK-geloof, waarin we beiden waren opgevoed. Biechten, scapulier-medaille op de borstrok, de Blasiuszegen tegen kroep, het wijwaters-vaatje, het heilig oliesel, askruisje, nuchter ter communie en het van flauwvallen in een langdurige mis met drie Heren. De Paasweek kwam langs: de met witte kleden afgedekte beelden op witte donderdag en die op goede vrijdag in dieppaars en natuurlijk uiteindelijk het paasvuur en de opstanding. We wisten ervan! Vriendin R. was van andere huize en vermaakte zich vooral over de terugkerende bulderlach.

De dood had hij voorlopig even terzijde geschoven door een immuuntherapie, die zowel tot verbazing van de artsen als voor hemzelf redelijk was aangeslagen. Wat het meest aan hem opviel was zijn oude humor. Door alle pijn en afbraak was zijn vileine humor en eloquente taalgebruik redelijk overeind gebleven. Zijn hersenen waren godzijdank niet aangetast en daar maakte hij ruim gebruik van. We dronken thee met Madeleines en natuurlijk maakte hij de voor de hand liggende opmerking, met een blik naar zijn beide toehoorders:  ‘Ja hoor, die kennen we. We lezen soms ook een boek.’

Opeens keerde hij terug naar zijn ziekenhuisbed, waar iets bijzonders was gebeurd. Hij leed aan heftige pijnen, daarom moest een zenuw operatief worden omgelegd. Daarna nam de pijn af en trad herstel tijdelijk in. Op een ochtend stond er een arts naast zijn bed met de vraag: ‘Ken je me nog?’ Het was Rob G., die als jonge leerling bij hem op de lagere school in de klas had gezeten. De mannen hadden elkaar al die jaren niet meer gezien: de patiënt nu 74 jaar en het kleine kereltje inmiddels 60 en hoogleraar neurologie. Een prachtige ontmoeting! Rob kwam dagelijks even bij ‘zijn meester’ langs om naar hem te kijken.

Teruglopend naar de auto deelde hij ons voorzichtig maar standvastig mee: ‘Ik vergat jullie nog iets te vertellen. Ik ben weliswaar tijdelijk opgestaan, maar ik vertrek binnenkort. Er is geen ontkomen meer aan!

Nu, bijna een jaar later lees ik dit verhaal terug: hij is kortgeleden vertrokken.

 

© els van dinteren

 

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!