Uit de bundel stak een roze papiertje dat me vreemd voorkwam. Ik was blijven steken in Awater en had het oude treinkaartje als bladwijzer gebruikt; datum 23 september 1975, de Oriënt Express.
Souvenir van een trip toen reizen spannender was en de wereld voor ons open lag. Plotseling kwam de geur van de verre reis terug, na al die jaren. Ik herlas Awater en bewaarde het kaartje achter in de bundel.
‘Ik zoek een reisgenoot’ (met ‘.. .‘) was de tekst voor de advertentie, in de hoop dat er iemand was die de rest van het gedicht -of een deel daarvan- zou aanvullen. (…) ‘Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.’
Het duurde even voor er een reactie binnenkwam. Nee, hij was niet bekend met Nijhoff, maar had wel de stoute schoenen aangetrokken om te reageren.
Hij was een reiziger. ‘Ja ja, ’t schijnt waar te zijn, hij wil op reis.’ Rond lunchtijd was het treffen in het Stedelijk, zonder aanwijzing vooraf. Ik zocht een tafeltje met uitzicht op de ingang. Het was druk; gasten druppelden binnen, de meesten samen, weinig alleengangers. Daar kwam -later dan verwacht- een mooie maar verhitte hardloper aan: bezweet, nerveus rondkijkend.
Hij droeg een hardloperspak en had diverse soorten apparatuur om zijn nek en pols en ook nog iets vastgeclipt aan zijn jack. Een zwarte band omklemde zijn schedel. Hoe herkende je hem? Ik stak mijn hand op en noemde vragend zijn naam. Ja, hij was de man die gereageerd had. Met zijn linkerhand veegde hij het zweet van zijn gezicht en zijn rechter stak hij uit in mijn richting.
Ik legde mijn krant weg en verschoof mijn koffiekopje. Of ik niet met de koffie had kunnen wachten tot hij er was, vroeg hij. Hij bestelde water, om het vocht dat onderweg verloren was gegaan aan te vullen. Hij was een geoefend marathonloper en was al meer dan een uur onderweg om naar mij toe te rennen; te reizen als het ware.
Met een zachte plof ging hij zitten en maakte mij deelgenoot van zijn meter-uitslagen. De hartslag was redelijk stabiel, zeker gezien het aantal passen dat hij had gelopen; de looptijd vermeldde hij tot op de laatste miniseconde, maar ook zijn lichaamstemperatuur en andere interessante informatie gingen over de tafel. Heel fit allemaal.
Ik dacht even aan Nijhoff: ja, soms loopt het anders dan je zou wensen.
Hij stelde voor de Zero-groep te bezoeken. Armando en Jan Schoonhoven waren mijn geliefde kunstenaars. In de grote zaal nam hij het woord en legde de bedoeling van Zero uit. Overigens niet onverdienstelijk. Daarna meldde hij als binnenhuisarchitect vele kantoren en particuliere huizen te hebben ‘verbouwd’, toen hij nog niet failliet was verklaard. Er volgde nog een uitgebreid college over de nieuwbouw van het museum. Het werd de dag van het hoorcollege. Hij sleepte me daarna nog in hoog tempo door de stad en wilde me beslist het meest bekendste café van Amsterdam laten zien: ‘We gaan naar Hoppe’, zei ik langs neus en lippen. ‘Oh, ken je dat?’
Op het piepkleine terras zat ik naast een bekende schrijver die net aan zijn koffie/cognac nipte. We spraken een paar woorden. Mijn reisgenoot stootte mij rechts aan:
‘Weet je wel wie dat is?’ ‘Ja, meneer C. Appelboom, gevierd schrijver in binnen- en buitenland.’ Ik voelde intussen de verse blaren onder mijn voeten branden.
De vraag wanneer we op reis zouden gaan bleef gek genoeg onbeantwoord in de lucht hangen. Ik wilde eerst rustig naar mijn provinciehoofdstad terugreizen, daar alle indrukken van de dag verwerken en in de tekst van Awater thuiskomen voor ik weer de Intercity zou nemen om de grote onbekende wereld in te gaan.
© els van dinteren