Wekenlang was gewerkt aan de voorbereiding, met interviews, schrijven van tussenrapportages en het samenvoegen en redigeren van teksten. Overleg met collega’s in andere provincies behoorde tot de laatste werkzaamheden. De grote welzijnsconferentie vond plaats in Den Haag. Hare majesteit opende de conferentie en om niet te laat aan te komen waren we zeer vroeg met de trein naar het westen vertrokken, in ons goeie goed. We waren gedrieën en allemaal lid van een gematigde linkse partij: de een weliswaar iets linkser dan de ander. Na de opening door de hoogheid werd de hoofdinleiding gehouden door een bekende Nederlandse socioloog, ook van linkse huize. We waren gespannen en kenden zijn vileine uitgesproken teksten uit Vrij Nederland en de Haagse Post. Hij nam plaats achter het spreekgestoelte, boog naar haar en opende zijn mapje. Daar bleek niet zijn inleiding in te zitten, maar de vergaderstukken van de vorige dag. Een hele pijnlijke maar ook hilarische situatie. Verontschuldigingen gingen richting de koningin, het programma werd omgegooid, en zij hield het vrij snel voor gezien. Inmiddels was de tekst via de fax (ja, het is al even geleden!) binnengekomen en het programma kreeg zijn vervolg. Na hem kwamen nog drie sprekers. Het was een pijnlijke ochtend.
Na de uitgebreide lunch, waarin men elkaar kon ontmoeten, -daar zag ik voor het eerst van mijn leven een deftige heer een banaan met mes en vork eten- werd het programma voortgezet in verschillende werkgroepen. De welzijnsproblematiek in Nederland werd vergeleken met de situatie in omringende landen en men kon natuurlijk voorstellen indienen ter verbetering van ons huidige systeem. Onze voorstellen werden verspreid, zoals ook die van collega-instellingen. Aan het eind van de middag, we waren moe, besloten we gedrieën een hapje te eten en daarna weer naar het Noorden te vertrekken.
Lopend naar de trein vonden we op de Lange Poten een bekend Indisch restaurant. Voor het raam was een tafeltje voor vier personen. We namen plaats en lieten ons adviseren welke rijsttafel geschikt zou zijn. De vriendelijke Indische ober gaf wijze raad en binnen niet al te lange tijd kwamen de diverse schaaltje met geurende gerechten. Onze directeur was bekend met Indisch eten; zijn ouders hadden als jongeren in Indonesië gewoond. Hij legde ons omstandig uit hoe we moesten combineren. Er verschenen meerdere gasten en het werd een aangename rustige sfeer.
Na enige tijd, we hadden al redelijk van alle gerechten geproefd, kwam er een man binnen en schoof voorzichtig aan, op de vierde stoel bij ons tafeltje. Hij vroeg na enig kijken: “Hoe was de conferentie Kiezels of Tegels?” Ik was verbaasd, maar liet niets merken. Onze directeur had zijn badge nog op zijn revers. Collega H. vertelde dat het een goede bijeenkomst was en vroeg of hij ook vroegtijdig de zaal had verlaten. “Nee nee, ik had vandaag geen tijd, maar nu wel even voor een hapje.” De ober kwam langs om te vragen of alles naar wens was: “Het is heerlijk en voldoende”, sprak de man optimistisch. Hij had zich voorzien van een plat schaaltje en at zonder problemen met een kleine opscheplepel en liet het zich smaken. Ik vroeg hem wat hij die dag gedaan had. “Ik heb me beziggehouden met daklozen in de binnenstad, er komen er steeds meer: het is een echt probleem.” Hij informeerde of wij op de hoogte waren van deze stadse situatie. Er ontstond een mooi gesprek en de suggesties kruisten de tafel over de bijna lege schaaltjes. Bij het luisteren naar de korte inleiding van onze directeur –hij was een breedsprakige man- nam hij nog een handje noten als dessert, gaf ons een smoezelige hand, dankte voor het interessante gesprek en wenste ons een hele goede reis. Hij vertrok net zo voorzichtig als hij gekomen was.
In de trein vroeg de directeur aan H.: “Ken je deze man van vroeger?” “Nee, ik kende hem niet, maar hij zag er wat hongerig uit. Participerend onderzoek in de grote stad; het is weer eens iets anders. Geen kiezels, geen tegels, maar meer Gast aan Tafel.”
© els van dinteren