Ergens achteraan op de Pincio of misschien al in de Villa Borghese
liggen in de open lucht tussen de struiken twee deksels van sarcofagen,
gehouwen uit steen van een mindere kwaliteit. Het zijn geen kostbaarheden,
ze liggen daar maar. In de lengte uitgestrekt rust daarop het echtpaar dat
zich er eens bij wijze van memento op heeft laten uitbeelden. Men ziet
veel van die deksels in Rome: maar in geen enkel museum en in geen enkele
kerk maken ze zo’n indruk als hier onder de bomen, waar de figuren zich
neergevlijd hebben als op een picknick en net ontwaken uit een slaapje dat
tweeduizend jaar heeft geduurd.
Met het hoofd op hun elleboog liggen ze elkaar aan te kijken. Het enige dat
ontbreekt is tussen hen in een mandje met kaas en wijn.
De vrouw heeft een kapsel met kleine krulletjes, – zo dadelijk zal ze het voor
haar middagslaapje schikken volgens de laatste mode. En ze glimlachen naar
elkaar; lang, heel lang. Je wendt je ogen af: ze blijven het doen, er komt geen eind aan.
Die trouwe, brave, burgerlijke, verliefde blik heeft de eeuwen getrotseerd; hij
heeft in het oude Rome het oog verlaten en kruist vandaag het jouwe.
Verbaas je er niet over dat die blik jou niet loslaat; dat beiden niet wegkijken
of hun ogen neerslaan: ze verstenen niet, maar vermenselijken erdoor.
Uit: Robert Musil, Het postume werk van een levende
Ceder Editie, Meulenhoff Amsterdam, 1978